Back to the Beaujolais

Back to the Beaujolais

Belofte maakt schuld: toen ik vorig jaar over 10 favorieten uit de Beaujolais schreef voor Le Club, sloot ik af met de woorden ‘to be continued’. Die top 10 was niet compleet. Onmogelijk. Maar hoe omvangrijk die toplijst uiteindelijk ook wordt, compleet gaat ‘ie nooit worden, want er gebeurt een heleboel daar, ten zuiden van de Bourgogne. Saaie négociantwijnen maken plaats voor hippe, nieuwe natuurwijnen van opkomende boeren. Het alsmaar opwarmende klimaat zorgt voor een veranderende stijl wijn, en veel wijnboeren proberen in de Beaujolais, en dan met name de cru’s, echte terroirwijnen te maken die niet onderdoen voor peperdure Bourgognes.

De tien cru’s

Het heeft me ooit een hoop kopzorgen bezorgd: het uit mijn hoofd leren van de tien cru’s van de Beaujolais. Tot negen, geen probleem. Maar die tiende, welke was dat op alweer? Bovendien was de ontbrekende vaak nog van wisselende aard ook. Chénas bijvoorbeeld. Chiroubles. Of Régnié. Wellicht ook niet de meest glamoureuze cru’s. Maar is dat terecht?

De meeste van de cru’s hebben in de jaren ’30 van de vorige eeuw hun AOC-status gekregen. Met als voornaamste uitzondering Régnié, dat gehucht promoveerde in ’88 pas tot cru, daardoor vaak gekscherend de benjamin genoemd.

In totaal zijn er vandaag de dag 10 cru’s, met ieder hun eigen karakter. Al is de spijker vaak heel lastig op de kop te slaan, wat dat karakter betreft. Sla een willekeurig wijnboek open, en je leest ongetwijfeld dat de wijnen van St. Amour zich kenmerken door hun romantische afdronk en Fleurie naar bloemetjes zou moeten ruiken. Niet zo gek, want in de praktijk is het erg lastig om het karakter van de 10 cru’s te bepalen, laat staan uit elkaar te halen. Over het algemeen kun je zeggen dat een cru een cru is omdat de combinatie van microklimaat, bodemtype en ligging van de wijngaarden tot de beste van de Beaujolais behoren. Maar ook binnen de cru’s zijn er terroirverschillen. En dus is er soms geen peil op te trekken.

blank
Wine map of Beaujolais by Winefolly

Bovendien hebben veel producenten hun eigen opvattingen over hoe een typische Morgon of Brouilly zou moeten smaken. En daarnaast oefent global warming ook in de Beaujolais z’n invloed uit. Dus de verschillen zijn groot. En dat noopt ons tot generaliseren. Maar die verschillen zijn er, al kun je daarvoor het best kijken naar de verschillen in het terroir van de dorpen en hun wijngaarden. Moulin-á-Vent – de krachtpatser – heeft bijvoorbeeld redelijk wat mangaan in de bodem, wat voor een soort van natuurlijke opbrengstbeperking zorgt. Dat zorgt vaak voor geconcentreerde stijl gamay. Régnié heeft veel roze graniet. En de wijngaarden van Chiroubles liggen wat hoger dan die van de andere cru’s.

Opfriscursus nodig? Luister dan de podcast over de Bojo >

De hoge wijngaarden van Chiroubles

Chiroubles staat bekend om zijn relatief hoge wijngaarden. Pakweg tussen de 250 – 500 meter. Dat is voor beaujolaisbegrippen heel wat. Het voornaamste effect van die hogere wijngaarden is verkoeling. Over het algemeen wordt er in Chiroubles dan ook het laatst geplukt van alle cru’s. En dat is proefbaar in de doorsnee Chiroubles. Die zijn meestal toch de meest frisse van het stel. Of mineraal, mits je dat woord niet schuwt. De hoogte en bijhorende koelende effecten komen de laatste jaren overigens goed van pas: vanaf 2015 is er eigenlijk geen jaar meer geweest in de Beaujolais dat het er niet erg heet was. Iets wat je goed proeft in de wijnen.

Beaujolais van de laatste jaren kan soms best wat zonnig, jammig en alcoholisch zijn. Wijnen van 14.5% alcohol zijn geen uitzondering. Iets wat in mijn ogen soms een beetje contrasteert met het lichtvoetige, sappige en vrolijke, wat een Beaujolais eigenlijk zou moeten kenmerken. De wijnen uit Chiroubles blijven ook in de warme jaargangen wat lichtvoetiger. En als je van klassieke Beaujolais houdt, zoals het bijvoorbeeld in 2014 nog gemaakt werd, is dat een uitkomst. Door het lichtvoetige karakter lenen wijnen uit Chiroubles zich ook uitstekend om lekker jong te drinken, in tegenstelling tot de soms wat stevigere wijnen uit Morgon of Moulin-á-Vent. Die mogen, of moeten, best even liggen voordat ze écht lekker zijn. Jammergenoeg is er in Chiroubles niet echt een sterproducent. Geen Lapierre, Thivin of Dutraive, bijvoorbeeld.

Veel boeren uit Morgon en Fleurie (de twee aangrenzende cru’s) hebben vaak wel één of meerdere wijngaarden in Chiroubles, maar beschouwen dat vaak als extraatje. Gelukkig zijn er wel een paar noemenswaardige Chiroubles. Zoals die van Jules Metras, inderdaad, de zoon van (Yvon Metras, Fleurie). Hij maakt er een hele goede, geheel in de stijl van zijn pa, lekker sappig en naturel dus. Of wat dacht u van de Chiroubles ‘Chatenay’ van Daniel Bouland, u weet wel, die eigenzinnige producent van old-school spierballenbeaujolais?

Wijntip: Jules Metras / Chiroubles / Wijnvriend

De spierballenbojo’s van Daniel Bouland

Beaujolais heeft over het algemeen het imago van wijnen die zeer jong op de markt komen en het liefst ook zo snel mogelijk gedronken moeten worden. Voor Beaujolais Primeur geldt dat zeker. Maar sommige wijnen kunnen best even mee. Uit de betere cru van een betere producent rustig een jaar of twee, drie. En sommige producenten staan zelfs bekend om hun wijnen met bewaarmogelijkheden.

bouland beaujolais

Zo ook de wijnen van Daniel Bouland uit Morgon. Daar durf ik gerust te spreken van een bewaarverplichting. Bouland, een wijnboer die zich van niemand wat aantrekt, en geheel op eigen wijze wijn maakt, is vooral bekend vanwege z’n compromisloze Morgon’s, met als vlaggenschip zijn ‘Morgon Les Delys Vieilles Vignes de 1926’. Inderdaad, van wijnstokken uit 1926.

Houd je vooral van lichtvoetige, jeugdige en fruitige Beaujolais, dan kom je bij Bouland van een ijskoude kermis thuis. Hij maakt wijnen met structuur, van rijpe druiven, klassiek geschoold en behoorlijk kattig in hun jeugd. Je moet er maar van houden. Het is in ieder geval zeer de moeite waard eens te proberen. Al raad ik iedereen aan minstens 3 jaar te wachten met het drinken van zijn wijnen. Ik heb wijnen van Bouland geproefd die meer dan 14,5% alcohol op de teller hadden en waarbij de neus, maar ook de structuur, haast aan wijnen uit de Noordelijke Rhône deden denken. Wat niet gek is, aangezien die streek slechts tientallen kilometers ten zuiden van de Beaujolais begint.

Daniel Bouland / Morgon ‘Les Delys’ / De Bruijn Wijnkopers

Tussen Bourgogne en Noord-Rhône

Vaker dan eens hoor je bij blindproeverijen ‘lijkt wel Noord-Rhône!’, of ‘nét Bourgogne!’. Terwijl het een Beaujolais betreft. Veel Beaujolais heeft soms de eigenschap net iets anders te ruiken en smaken dan de stereotype fruitige, soms snoepjesachtige stijl. Dat hangt af van het terroir, de rijpheid van de druiven, de vinificatie (zie mijn vorige stuk over Beaujolais), maar ook de leeftijd van de wijn.

Zo kan een goed bewaarde Morgon inderdaad soms als een pinot noir uit de Bourgogne smaken. Of een Morgon van Daniel Bouland aan een syrah uit de Noord-Rhône doen denken. Op zich niet geheel toevallig, aangezien de Beaujolais ook in geografisch opzicht exact tussen die twee streken ligt. In sommige gevallen heeft het ook te maken met de opvattingen en ervaring van de wijnboer.

blank

Een van de meest verrassende producenten uit het ‘nét Bourgogne’-kamp die ik afgelopen jaar ontdekte was Anne-Sophie Dubois uit Fleurie. Een jonge wijnmaakster, met wieg in Champagne en ervaring uit Volnay, die op eigen voet een serie prachtige Fleurie’s maakt. In een lichte, geparfumeerde en – inderdaad – Bourgondische stijl, mede dankzij de opvoeding van de wijnen.

Anne-Sophie Dubois / Fleurie l’Alchemiste / Smaragd Wijnen

Chenas en de wijnen van Paul-Henri Thillardon

Uiteindelijk is het dus altijd de producent die bepaalt wat voor type wijn er achter het etiket schuilt. En dus ook of zijn of haar Fleurie naar Fleurie moet smaken, naar een totaal generieke Beaujolais of, zeker niet ondenkbaar: een door wijnfouten getergde natuurwijn. Want natuurwijn, dat wordt in groten getale geproduceerd in de Beaujolais, niet op z’n minst omdat de godfather van de natuurwijn, Marcel Lapierre, ooit in Morgon begonnen is.

Vandaag de dag zijn er tientallen, zo niet honderdtallen boeren die volgens de opvattingen van Lapierre werken: ‘niets erin, niets eruit’. Wijn van biologisch of biodynamisch verbouwde druiven, waarbij er in de kelder eigenlijk zo min mogelijk aan de wijn gesleuteld is. Natuurwijn dus. Een risicovolle onderneming, al vind ik over het algemeen het niveau van natuurwijn hoog in de Beaujolais.

Van de nieuwe generatie is Paul-Henri Thillardon wellicht één van de allerbeste. Misschien omdat hij Chénas, die notoire vergeetcru, op de kaart probeert te zetten. Chénas is de kleinste cru van de tien, ligt tegen Moulin-á-Vent aan, in staat wat stevigere wijnen voort te brengen en, helaas, vrij onbemind in ons land. Gelukkig zijn er de niet al te goedkope wijnen van Thillardon, die van verschillende wijngaarden in Chénas aparte bottelingen maakt. Behoorlijk ambitieus, omdat Chénas eigenlijk nauwelijks tot geen echte reputatie heeft, laat staan de individuele wijngaarden, zoals Les Blémonts en Chassignol. Waarom niet één of twee steengoede mengwijnen, zoals Lapierre’s Morgon of Yvon Metras, met zijn iconische Fleurie?

Aan de andere kant: zijn verschillende wijnen uit Chénas, hij maakt er inmiddels vier, zijn stuk voor stuk zeer de moeite waard, met als uitblinker Chassignol, van een wijngaard geheel in zijn eigen bezit. Thillardon werkt in zijn wijngaarden biodynamisch en in de wijnkelder met veel risico: vergisting van hele trossen op een idioot lage temperatuur van rond de 9 graden celsius. Daarmee duurt de vergisting vooral erg lang, maar krijg je wel prachtig complexe, subtiele en uiterst fruitige en peperige wijnen.

Paul-Henri Thillardon / Chénas ‘Les Blémonts’ / Bosman Wijnkopers

Buiten de cru’s

Die tien cru’s, die kennen we zo onderhand wel. Gelukkig is er nog de AOC Beaujolais-Villages. De AOC van de 38 dorpjes en communes in en rondom de cru’s, waarvan ik me afvraag of er überhaupt iemand is die ze allemaal, het liefst staccato, op kan dreunen. Beaujolais-Villages is sowieso een wat ongelukkige AOC, omdat voor veel consumenten het verschil tussen Beaujolais en Beaujolais-Villages nauwelijks duidelijk is.

Nou, in het kort: de AOC Beaujolais beslaat eigenlijk de gehele Beaujolais, inclusief de primeurwijnen. AOC Beaujolais-Villages, waar overigens ook primeurwijn vandaan komt, komt uit het noordelijke, graniethoudende gedeelte. Dat is eigenlijk het gebied van de 10 cru’s, maar dan een stuk groter, want veel dorpjes eromheen delen het bodemtype. Met een totaal van 38 dorpjes.

Die granietbodems worden gezien als perfecte ondergrond voor de nogal snel woekerende gamay, omdat het een relatief arme bodem is, waardoor de groei van de wijnstok redelijk beperkt blijft, wat de kwaliteit van de druiven ten goede komt. Uiteraard zijn er subtiele verschillen in bodem, hoogte en ligging van de wijngaarden. Toch worden sommige van die dorpjes die nu tot Beaujolais-Villages behoren getipt als promovendi: dorpjes die wellicht ooit de 11e, 12e en/of 13e cru gaan worden.

De meestgenoemde: Lantignié. Hier is een hoge concentratie aan roze graniet aangetroffen in de bodem, net zoals het aangrenzende Regnié, wat dan weer wel een cru is. Eigenlijk beschouwen veel insiders in de Beaujolais het terroir van Lantignié als superieur aan dat van Regnié, waarover later meer.

Veel druiven uit Lantignié eindigen in een wijn met op het etiket slechts Beaujolais-Villages (of in sommige gevallen enkel Beaujolais). Vaak omdat het mengwijnen zijn, het is immers toegestaan wijn uit verschillende dorpen te mengen. Voor de liefhebber wordt het er allemaal niet duidelijker op: een wijn van druiven uit Lantignié kan als Beaujolais, Beaujolais-Villages of Beaujolais-Lantignié gebotteld worden. Voor velen is alleen Beaujolais interessant. En dat terwijl Lantignié eigenlijk een net-niet cru is.

Jean-Marc Burgaud, vooral bekend door zijn wijnen uit Morgon, maakt wel een Beaujolais-Lantignié, waarvan de korte samenvatting luidt: smaakt als een cru, maar dan met het prijskaartje van een Beaujolais-Villages. Een andere steengoede wijn uit Lantignié is die van rijzende ster David Chapel. Maar die bottelt ‘m dan weer als Beaujolais-Villages. Terwijl de druiven voor honderd procent uit Lantignié afkomstig zijn. En als we het dan toch over Beaujolais-Villages hebben: misschien wel één van de allerbeste wordt gemaakt door cultwijnmaker Jean-Claude Lapalu.

Tussen twee generaties in

Jean-Claude Lapalu begon in ’95 met het bottelen van zijn eigen wijnen. En is daarmee eigenlijk onderdeel van de tweede generatie natuurwijnboeren, zo’n 15 jaar nadat de eerste generatie begon. Een verloren generatie? Zeker niet! En al helemaal niet in het geval van Lapalu. De wijnen van Lapalu zijn zeer goed en gooien wereldwijd hoge ogen. Het leuke is dat hij naast enkele Beaujolais-Villages ook Brouilly maakt, een cru die in omtrek en productie weliswaar het grootst is, maar wat reputatie en gemiddelde kwaliteit betreft ergens onderaan bungelt. Al geldt dat niet voor de Brouilly van Lapalu. Steengoed. En daarnaast durft hij te experimenteren. Zo maakt hij een Brouilly die vergist in amforen: zijn Brouilly ‘Alma Mater’. Een buitengewoon stevige, eigenzinnige wijn. Of wat dacht je van zijn Beaujolais-Villages ‘Le Rang du Merle’, die opvallend in een Bordeauxfles gebotteld wordt, wat al helemaal ongebruikelijk is in de Beaujolais. De wijnen van Lapalu zijn duidelijk naturel, soms iets ‘funky’, maar nooit fout. Zelfs zijn instapwijnen zijn na een jaar of 5 nog steeds zeer energiek.

Jean-Claude Lapalu / Beaujolais-Villages VV / Herman Wines

Rijzende prijzen

Beaujolais heeft voor veel mensen nog steeds het imago van ondersteschappenwijn, iets wat je vroeger kocht, voor heel weinig geld. En geloof me: in de Franse supermarché hoef je weinig moeite te doen om ondrinkbare Beaujolais van pak ‘m beet 3 euro 50 te vinden. Het tienvoudige afrekenen voor een hippe Morgon of Fleurie van een naturelboer, liefst voorzien van opvallend vormgegeven etiket is daarentegen ook geen opgaaf.

Over het algemeen is land nog erg goedkoop in de Beaujolais, waardoor het een betaalbare plek is voor beginnende wijnboeren om zich te vestigen. Bovendien leent de streek en de gamaydruif zich voor het maken van natuurwijn, worden veel nieuwe boeren zo ook geschoold, dus het ligt voor de hand dat veel hedendaagse producenten op die manier werken. Wat een arbeidsintensieve en risicovolle manier van werken is. Veel nieuwe wijnen kosten dan al gauw minstens 25 euro, wat ze overigens lang niet altijd waard zijn. Des te leuker is het om soms domeinen te vinden die zeer lekkere wijnen maken voor ouderwetse prijzen.

Domaine Montangeron is er zo één. Fleurie, Morgon en Chiroubles met weinig aansprekende etiketten, maar met ruimschoots compenserende inhoud. Zeker uit de warme wijnjaren ’18 en ’19 boordevol fruit en plezier. En dat voor onder een tientje in Nederland verkrijgbaar.

Domaine Montangeron / Fleurie / Henri Bloem

De laatste cru

Het voor Ollanders zo lastig uit te spreken Régnié moet toch nog even genoemd worden. Zoals eerder vermeld werd dit dorp als laatste gepromoveerd tot cru: in 1988 om precies te zijn. Wijlen George Duboeuf, commercieel godfather van de Beaujolais, kreeg het voor elkaar om na slim lobbyen het dorp van Beaujolais-Villages tot cru te promoveren. Omdat hij er zelf veel wijngaarden had.

Leuke bijkomstigheid is dat Régnié naast het dorp van overmatige accent graves de plek is waar de Romeinen ooit de eerste wijnstokken in de Beaujolais plantten. Vandaag de dag zien we eigenlijk niet zo opvallend veel Régnié in de schappen. Het is een wat lastig te duiden cru, met een paar noemenswaardige wijnen, zoals de ‘Grain & Granit’ van Charly Thévenet, zoon van bende-zonder-zwavellid Jean-Paul Thévenet. En, misschien wel mijn favoriete – want steengoede producent – die van Julien Sunier.

Julien is oud-leerling van onder andere Bourgognegrootheden als Nicolas Potel en Christophe Roumier (wiens vaten hij vandaag de dag gebruikt voor het opvoeden van zijn wijnen) en heeft wijngaarden in Fleurie, Morgon en dus Régnié. En maakt zelfs een wijn uit Lantignié, maar daar prijkt groots ‘Wild Soul’ op het etiket in plaats van de dorpsnaam. Terwijl volgens velen in de Beaujolais het dorp Lantignié veel meer recht had op promotie dan Régnié. Zo ziet u maar weer, het leven is niet altijd even eerlijk. De wijnen van Sunier gelukkig wel.

Julien Sunier / Régnié / Janselijn

Conclusie: drink meer Beaujolais

Beaujolais is een streek die lange tijd last had van z’n slechte reputatie, vooral veroorzaakt door de gekte genaamd Beaujolais Nouveau, waardoor veel Beaujolais vanaf halverwege vorige eeuw vooral simpel en goedkoop moest zijn. De cruwijnen werden overschaduwd en alles waar Beaujolais op stond werd evenredig aan Beaujolais Nouveau verklaard.

Grond overbemesten, veel pesticiden, hoge opbrengsten, overmatig chaptaliseren, slecht wijnmaken: het kwam de kwaliteit van de wijnen niet ten goede. Gelukkig is er een kentering gaande en waarderen steeds meer liefhebbers, ook in Nederland, goede Beaujolais. En geraken de namen van de cru’s, zeker die van Morgon, Moulin-á-Vent en Fleurie steeds meer ingeburgerd.

Helaas blijft door de coronacrisis momenteel veel Beaujolais liggen, mede omdat de wijnen normaliter veel in Parijse en Lyonnaise horeca geschonken worden. Gelukkig heeft iedere wijnhandel in Nederland tegenwoordig goede Beaujolais, en met de lente op komst luidt het devies dan ook: drink meer Beaujolais!

Like what you read?

Volg Le Club des Vins dan op Instagram of Facebook en blijf op de hoogte van mijn avonturen en nieuwe artikelen. Le Club des Vins stuurt elke maand een nieuwsbrief uit, genaamd wijnvertier in je inbox. Lid worden?

Julian is druk bezig om zijn WSET4 tot een goed einde te brengen. Ooit op wijn verliefd geworden door een bijbaan in de horeca. Tegenwoordig vertelt en schenkt hij graag (over) wijn in een Utrechts proeflokaal.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.